• Franky De Cooman

Imposter Syndrome: Wanneer val ik door de mand????

Bijgewerkt: jul 17

Tijdens mijn lange consultancy loopbaan heb ik schitterende dingen gedaan, en waren er ook projecten waarbij ik de billen dichtkneep. Vaak heb ik het gevoel gehad dat de dingen die ik deed boven mijn petje uitstaken. Lang heb ik het gevoel gehad ooit door de mand te zullen vallen, glimlachend me aan de rand van de afgrond wanend.

Klinkt dit je bekend in de oren? Dan heb je misschien ook last van het Imposter Syndrome, een extreme vorm van professionele zelftwijfel [1].



Wat is het Imposter Phenomenon?

Het Imposter Syndrome -of Imposter Phenomenon zoals het beschreven wordt in de wetenschappelijke literatuur [2] - verwijst naar een gedragspatroon waarin mensen, met adequate externe bewijzen van succes, continu twijfelen aan hun eigen kunnen. Hierdoor hebben ze een aanhoudende angst om ontmaskerd te worden als fraudeur [3].



Afhankelijk van de wetenschappelijke publicatie die je consulteert, zou tussen de 9 en de 80% van de bevolking er last van hebben [2]. Dat is een grote spreiding besef ik, maar het duidt op het feit dat het wel degelijk aanwezig is in de maatschappij…..


Ondanks duidelijke bewijzen van succes een aanhoudende angst hebben om ontmaskerd te worden

Clance beschreef, samen met een collega professor psychologie, in 1978 als eerste dit fenomeen. Wat later, beschreef zij [4] de zes componenten die het Imposter Phenomenon (IP) kenmerken:

  1. IP is een vicieuze cirkel. Om uitdagingen het hoofd te bieden, stellen individuen de uitdagingen uit of spannen zich overmatig in. Wanneer hun inspanningen uitdraaien op een succes, dan schrijven ze dit absoluut niet toe aan hun competenties, maar wel aan wilskracht of aan pure chance, de omstandigheden. Aan zichzelf toewijzen zou hoogmoed zijn van mensen, dat doen namelijk enkel mensen die naast hun schoenen lopen. Daarom herhaalt het proces zich telkens opnieuw wanneer een uitdaging zich aandient.

  2. Mensen die IP in zich huisvesten voelen een dwingende behoefte om uitmuntend te zijn. Deze onrealistisch hoge verwachtingen leiden tot koude douches, wat dan weer aan de perceptie van hun capaciteiten knaagt, ondanks objectief bewijs dat het tegendeel suggereert.

  3. Slachtoffers van IP verwachten niet alleen dat ze excelleren, maar ook dat ze dit op hun duizendste gemakske doen. Dit verklaart de zelftwijfel en het gevoel fraudeur te zijn wanneer ze deze onrealistisch hoge verwachtingen niet kunnen waarmaken.

  4. De angst om te falen wordt aangewakkerd door de vrees om als dommerik te worden ontmaskerd en (zoals vroeger wel gebeurde) met ezelsoren op het hoofd in de hoek te moeten gaan staan. Dit leidt tot wanhopige pogingen om elke vorm van mislukking te voorkomen.

  5. Personen die lijden (letterlijk lijden…. ) aan IP, ontkennen doorgaans hun competentie en kunnen niet om met de complimenten die ze krijgen. Zij vertrouwen op alternatieve verklaringen voor hun succes, ze schrijven ze niet gemakkelijk toe aan hun capaciteiten.

  6. De angst voor succes is gebaseerd op de twijfels over hun vermogen om reeds geboekt ‘succes’ te herhalen en om aan de (ingebeelde) toegenomen verwachtingen van anderen te voldoen.

Het is een vicieuze cirkel van de lat voor jezelf hoog leggen en het dan niet kunnen halen

Mensen die last hebben van IP zijn toptalenten [5] die hun realisaties echter internaliseren als frauduleus [4] omdat ze deze toedichten aan omstandigheden puur geluk, en zeker niet aan zichzelf [6]. Ze internaliseren wel hun zogenaamde falen [7][2], fixeren zich op het negatieve, en kunnen daardoor lofprijzingen niet aanvaarden [8]. Het probleem vloeit dus niet voort uit de omgeving (alhoewel dat ik in mijn vervolgblog hier nog kanttekeningen bij zal maken), aan de basis ligt het gegeven dat ze zichzelf continu onderschatten [9].


Wat mij als kritisch onderzoeker hier echter frappeert is de tegenstelling met een algemeen gekend psychologisch principe van actor-observer: mensen schrijven doorgaans hun successen toe aan zichzelf, en hun mislukkingen aan de omstandigheden. Het blijft me verwonderen waarom dit bij IP personen omgekeerd is…


IP werd eerst gezien als een typisch vrouwelijk fenomeen, maar dat blijkt niet zo te zijn want mannen hebben er op zijn minst evenveel last van. Mannen hebben bovendien de bijkomende handicap dat zij, omdat ze het doorgaans minder gewoon zijn om in hun ziel te laten kijken, het nog veel langer verbergen [10].


Om er geen intellectuele janboel van te maken dient vermeld dat IP niet verward mag worden met het Peters Principle van ‘Rising to the level of your incompetence’. Voorts gebruiken (misbruiken) sommigen het ook als ook een (onbewuste) strategie om zichzelf (psychologisch) in te dekken tegen mogelijk mislukkingen. Diegenen die écht lijden aan IP zijn zij die écht onderhevig zijn aan angst, die vooral negatieve emoties ondergaan, weinig positiviteit percipiëren [9].


Voor we dieper duiken in het fenomeen: weet in wat volgt de meeste academische referenties zich baseren op kwalitatief onderzoek of op ‘aangetoond’ via kleine steekproeven [2]. Gelieve dus wat je hieronder leest met de nodige omzichtigheid te behandelen (zeg ik als statisticus….)


‘Dit zeg ik als statisticus’, hoog tijd om nog een stukje van mijn eigen verhaal te bloot te geven….

Toen ik in het zesde middelbaar vertelde dat ik naar de Leuvense universiteit ging gaan om informatica te studeren (officieel ‘Licenciaat Wiskunde, optie Informatica’) zei de leerkracht wiskunde publiekelijk ‘je kan proberen, maar…’. In mijn licenties koos ik voor de statistische sub-divisie (als enige…, hoe sadomasochistisch kan je zijn?). Toen ik met veel bloed, zweet en tranen afstudeerde (ik heb elk jaar, tot in mijn vierde jaar toe, herexamens gehad), vond ik dat ik te weinig afwist van statistiek. Dus heb ik er nog een master Biostatistics bijgedaan aan de UHasselt. Weer afgezien, maar mits wat herexamens er toch doorgeraakt… In mijn eerste licentie had ik 18 kilogram herexamens, ik heb de cursussen op de weegschaal gelegd. Ondanks ¾ van de vakken opnieuw te moeten doen, heb ik nooit een jaar moeten bissen, chapeau aan mezelf!!! Het geeft een blik op mijn over ontwikkelde wilskracht…

En zelfs nu zorgt het nog voor nevenwerkingen… Ik ben sinds een jaar ingeschreven aan de Open Universiteit voor een Bachelor psychologie (zou het kunnen zijn dat ik mezelf weer nog eens wil bewijzen?), maar ik krijg, godbetert, geen vrijstellingen voor de statistische vakken! Het doet mij er soms aan twijfelen om verder te gaan met deze opleiding, want zie dat ik (nog eens) zou buizen op die examens. Ik krijg ook een wrang gevoel rond mijn maag als ik onze kinderen wat uitleg bij wiskunde/statistiek moet/wil/kan geven. Help….


Wat kan het Imposter Syndrome verklaren?

Wat om te beginnen opvalt bij mensen met IP, is dat zij afhankelijk zijn van de goedkeuring van anderen om zich goed in hun vel te voelen [11].


Ik herinner het me nog levendig. In de periode bij mijn schitterende baas (én mentor) viel het me op dat, telkens wanneer ik in een management vergadering iets aanbracht, ik hem in de ogen keek. Het was alsof ik zo trachtte te achterhalen wat hij ervan vond. Toen ik dat begon door te hebben, en vooral omdat Michel er in geslaagd was een veilige omgeving te creëren, heb ik mezelf dat afgeleerd. Telkens als ik iets poneerde, keek ik van toen af ostentatief niet meer in zijn ogen. Man, wat was dat een stap vooruit..


IP gedijt op plekken waar hoog spel gespeeld wordt, waar je geacht wordt excellent te presteren [12], en floreert nog verder bij steeds toenemende (al dan niet zelfopgelegde) druk [13]. Het zorgt voor gevoelens van vereenzaming, isolatie en verlies aan betekenis van wat je doet [12] wat resulteert in een gehavende zelfwaarde en overvloedige stress [14].

Minderheidsgroepen zijn vatbaarder voor IP [14], mensen die niet passen in het gewone, klassieke stramien, bijvoorbeeld vrouwen in een typische mannenomgeving, timide mensen in een typische brulboei wereld, …[12]


Het Imposter Syndrome gedijt waar hoog spel wordt gespeeld

De laatste keer dat ik te maken had met een toxische leider heb ik mijn moed bijeen geraapt en voor mezelf opgekomen. Na een groot project dat we (vooral ondanks, en niet dankzij de CEO) tot een goed einde hadden gebracht, vond die laatste het nodig om zijn kennis te etaleren. In een anderhalf uur durende tirade gaf hij aan heel het bedrijf een soort van openbaar examen, volgens hem bedoeld om ons uit onze comfortzone te lokken. ‘Kennen jullie dit principe? Kennen jullie deze wetgeving? Weten jullie dit? Wat zou je doen in het geval van ….?’ Alle aanwezigen zakten verder en verder weg, haakten mentaal af. Na anderhalf uur vroeg hij feedback. Met een ziedende, maar beheerste stem, zei ik ‘nog een geluk dat ik reeds sinds 1999 aan mijn zelfwaarde aan het sleutelen ben, anders zou ik me met de minuut dommer en dommer gevoeld hebben’. Deze repliek werd me niet in dank afgenomen en zette me op de zwarte lijst.


Omdat ik een van de trekkers was in dit project, voelde het aan alsof ik publiekelijk belachelijk werd gemaakt door een sluipschutter.


En geloof me vrij, ik was content dat ik ontdekte dat er een link is met de schrik om uitgelachen te worden. Men veronderstelt zelfs, maar longitudinaal onderzoek zou moeten aantonen, dat kinderen die te vaak kop van jut waren, die uitgelachen werden, vatbaarder zijn voor IP [15]. Statistiek met een steekproefgrootte van 1 zegt niets. En toch, ik voel dit zo aan tot in het diepste van mijn zijn….


Het Imposter Phenomenon zou voortvloeien uit de etiketjes die je als kind opgekleefd kreeg

Sommige academici veronderstellen dat het Imposter Syndrome voorvloeit uit de etiketjes die op ons gekleefd worden tijdens het opgroeien, onder andere door het (al dan niet expliciet) ingelepeld krijgen dat falen geen optie is [7].


Mijn opvoeding was niet evident. Door mijn ouders werd ik beschouwd als ‘de slimme, de hardwerkende zoon’. Op het einde van het schooljaar stond telkens ‘verdient een bijzonder vermelding voor levenshouding’. Mijn ouders zouden me wel nooit een compliment, laat staan een knuffel, geven. Zoals een tante het na het overlijden van mijn ouders me toevertrouwden ‘ze waren fier op jou, maar ze zouden het je nooit gezegd hebben’. Pijnlijk, geloof me vrij!


Het fenomeen blijkt dus voort te vloeien uit hoe in de kinderjaren met mensen die nu IP vertonen omgesprongen is geweest: sommigen kregen te horen dat anderen slimmer en beter waren dan zij. Zij pasten zich in hun levensloop altijd maar aan, maar hoe zij zich ook altijd maar trachten te bewijzen, het werd niet gezien en zij bleven ‘de mindere’. Bij anderen die de dupe zijn van IP lagen integendeel de verwachtingen zodanig hoog dat ze er in verstikten, en schrik kregen om niet aan die verwachtingen te kunnen voldoen [3]. Onveilig gehechte kinderen dus. Ook al kan de link tussen IP en onveilig gehechte kinderen niet hard gemaakt worden, het blijkt dat bij ouders die over-controlerend zijn, maar niet warm authentiek betrokken zijn op hun kinderen, de nazaten vatbaarder zijn voor IP [16]. De opvoeding zorgt voor een giftig sluipend psychologisch mechanisme dat vertrekt bij ‘wat ik doe is niet goed’, via ‘ik ben niet goed genoeg’ uitmondt in ‘ ik ben onwaardig’ [17].


Toch ben ik er in geslaagd om aan mijn zelfwaarde te werken, mijn IP beheersbaar te maken. Hoe ik dat gedaan heb, en hoe de wetenschap dit verklaart, kom je te weten in het vervolg op deze blog.


Heb je ondertussen vragen, wil je hierover van gedachten wisselen, je weet me te vinden!


Franky De Cooman - Mensj

Zelfzorg coach


Photo by Karen cardenas on Scopio



Referenties

[1] K. A. Ladonna, S. Ginsburg, and C. Watling, “‘Rising to the Level of Your Incompetence’: What Physicians’ Self-Assessment of Their Performance Reveals about the Imposter Syndrome in Medicine,” Acad. Med., vol. 93, no. 5, pp. 763–768, 2018.

[2] D. M. Bravata et al., “Prevalence, Predictors, and Treatment of Impostor Syndrome: a Systematic Review,” J. Gen. Intern. Med., vol. 35, no. 4, pp. 1252–1275, 2020.

[3] P. R. Clance and S. A. Imes, “The imposter phenomenon in high achieving women: Dynamics and therapeutic intervention.,” Psychother. Theory, Res. Pract., vol. 15, no. 3, pp. 241–247, 1978.

[4] P. R. Clance, The imposter phenomenon: Overcoming the fear that haunts your success. Atlanta: Peachtree, 1985.

[5] J. Vergauwe, B. Wille, M. Feys, F. De Fruyt, and F. Anseel, “Fear of Being Exposed: The Trait-Relatedness of the Impostor Phenomenon and its Relevance in the Work Context,” J. Bus. Psychol., vol. 30, no. 3, pp. 565–581, 2015.

[6] J. Bothello and T. J. Roulet, “The Imposter Syndrome, or the Mis-Representation of Self in Academic Life,” J. Manag. Stud., vol. 56, no. 4, pp. 854–861, 2019.

[7] G. Corkindale, “Overcoming imposter syndrome,” Harv. Bus. Rev., pp. 2–5, 2008.

[8] Q. Hoang, “The Impostor Phenomenon: Overcoming Internalized Barriers and Recognizing Achievements,” Vermont Connect., vol. 34, no. February, pp. 42–51, 2015.

[9] M. Leonhardt, M. N. Bechtoldt, and S. Rohrmann, “All impostors Aren’t Alike-Differentiating the impostor phenomenon,” Front. Psychol., vol. 8, no. SEP, pp. 1–10, 2017.

[10] M. E. H. Topping, “The Impostor Phenomenon: A study of its construct and incidence in university faculty members,” University of South Florida, 1983.

[11] B. R. O. Sherman, “Imposter syndrome: When you feel like you’re faking it,” Am. Nurse Today, no. May, pp. 57–58, 2013.

[12] M. Schwartz, “Retaining Our Best: Imposter Syndrome, Cultural Safety, Complex Lives and Indigenous Student Experiences of Law School,” Leg. Educ. Rev., vol. 28, no. 2, pp. 1–24, 2018.

[13] G. Corkindale, “Embrace your Inner Impster,” Harv. Bus. Rev., no. 1, pp. 1–4, 2008.

[14] B. J. Peteet, C. M. Brown, Q. M. Lige, and D. A. Lanaway, “Impostorism is Associated with Greater Psychological Distress and Lower Self-Esteem for African American Students,” Curr. Psychol., vol. 34, no. 1, pp. 154–163, 2015.

[15] K. Brauer and R. T. Proyer, “The ridiculed Impostor: Testing the associations between dispositions toward ridicule and being laughed at and the Impostor Phenomenon,” Curr. Psychol., 2019.

[16] C. Sonnak and T. Towell, “The impostor phenomenon in British university students: Relationships between self-esteem, mental health, parental rearing style and socioeconomic status,” Pers. Individ. Dif., vol. 31, no. 6, pp. 863–874, 2001.

[17] A. C. Sparkes, “Embodiment, academics, and the audit culture: A story seeking consideration,” Qual. Res., vol. 7, no. 4, pp. 521–550, 2007.


1,067 keer bekeken0 reacties

Recente blogposts

Alles weergeven